Chemotherapie bij eierstokkanker

Na de operatie volgt vaak behandeling met chemotherapie, tenzij heel duidelijk is dat de kanker zich beperkt tot één eierstok (stadium IA en IB), of wanneer het een laaggradig vroeg stadium betreft. De chemotherapie bestaat meestal uit zes kuren met een combinatie van geneesmiddelen (paclitaxel en carboplatin) met een tussentijd van drie weken. Deze combinatie van een platinumhoudende chemotherapie en een taxaan is al ruim vijftien jaar de standaardbehandeling. Indien mogelijk krijgen vrouwen met eierstokkanker in stadium IIB, III, en IV chemotherapie. In geval van een vroeg stadium eierstokkanker IA t/m IIA wordt niet altijd chemotherapie ingezet en kan de behandelend arts ook besluiten tot het observeren van de patiënt. Lees hier meer over verschillende stadia van eierstokkanker.

Vrouwen die stadium III eierstokkanker hebben en bij wie tijdens de operatie alle zichtbare tumorresten zijn verwijderd (een complete debulking), krijgen soms een zogenaamde intraperitoneale chemotherapie. Dit is een vorm van chemotherapie die rechtstreeks in de buikholte wordt toegediend.

Monitoring chemotherapie bij eierstokkanker

Tijdens de behandeling met chemotherapie worden vrouwen met eierstokkanker regelmatig gecontroleerd. Hierbij wordt de concentratie van CA125 in het bloed bepaald (zie screening)  en soms vindt ook beeldvormend onderzoek plaats (zie beeldvormend onderzoek). Na de behandeling wordt de concentratie van CA125 over het algemeen niet meer routinematig bepaald. Onderzoek heeft aangetoond dat het bepalen van CA125 bij een patiënt zonder symptomen na afloop van de eerste behandelingskuren met chemotherapie geen invloed heeft op de prognose van de patiënt.

Bijwerkingen van chemotherapie bij eierstokkanker

Helaas veroorzaakt chemotherapie vaak tijdelijke kaalheid en onderdrukking van het beenmerg, waardoor bloedarmoede en verminderde weerstand kunnen ontstaan. Dit komt door het effect van chemotherapie op de celdeling die voor de remming van de tumorgroei zo gewenst is. Ook kunnen de zenuwen in de vingers en voeten worden aangetast en kunnen deze prikken of pijn geven. Dit gevoel blijft soms lang na het stoppen van de behandeling aanwezig. Na de behandeling blijven ook veel vrouwen nog lang moe. Lees hier meer over vermoeidheid bij eierstokkanker.

Follow-up

Nadat vrouwen zijn behandeld voor eierstokkanker worden ze regelmatig gecontroleerd (follow-up).
Dit gebeurt met de volgende frequentie:

  • Eerste en tweede jaar: controle elke drie maanden.
  • Derde jaar: controle elke vier maanden.
  • Vierde en vijfde jaar: controle elke zes maanden.
  • Meer dan vijf jaar: controle één keer per jaar.

De follow-up zal in het algemeen afwisselend plaatsvinden bij de gynaecoloog en de medisch oncoloog. Bij de controle wordt een algemeen lichamelijk en gynaecologisch onderzoek verricht en kan eventueel concentratie CA125 worden bepaald. Op indicatie wordt het onderzoek aangevuld met beeldvormende diagnostiek zoals een CT-scan en/of echografie.